«Wij denken hetzelfde»

Een stap richting landstitel, daar is het Anderlecht en Club Brugge vanavond om te doen. Managers Herman Van Holsbeeck en Luc Devroe zijn rivalen, maar delen dezelfde voetbalfilosofie. Deel twee van ons dubbelinterview: «Als Luc drie jaar geleden niet naar Brugge was gegaan, dan werkten wij nu samen.»

Heren, zijn jullie tevreden met wat jullie konden doen tijdens de jongste transferperiode?

Van Holsbeeck: «Bij ons liep de scouting al maanden de deur plat om Marecek in orde te krijgen. We waren daar al een tijd mee bezig, want het gaat om een jongen die meteen in aanmerking komt voor het eerste elftal, maar als Anderlecht zich in landen als Tsjechië meldt, dan gaan de prijzen flink naar boven. Wij hebben een limiet gesteld en gezegd dat we geen frank meer betalen. Dan kruipt er natuurlijk veel energie in om zo'n transfer rond te krijgen.»

Devroe: «Met Van Gijseghem en Lestienne hebben wij twee jon­ge Belgen bij, dat is altijd goed. Van der Heyden kwam dan weer op een positie waar we ie­mand nodig hadden, zeker na het vertrek van Daerden. De problemen die we tegen Gent en Genk hadden, waren voor een stuk te wijten aan het uit­vallen van Klukowski.»

Club Brugge kocht de voorbije jaren wel vaker op de Belgi­sche markt: heb je daar toch niet een beetje bewondering voor, Herman?

Van Holsbeeck: «Sympathiek ben je alleen als je wint. Wij kij­ken ook eerst naar de Belgische markt, maar dan moet je de vraag stellen wie in aanmerking komt voor Anderlecht. Er was één speler die ons interesseer­de: dat was Lestienne. Daar za­gen we potentieel in. Maar even belangrijk is dat je spelers haalt die met volle goesting komen. Dat merkten we bij Tom De Sutter, dat voelden we ook bij Lukas Marecek. Zo weet ik ook dat, in de fond, Sherjill MacDonald nog altijd droomt om terug te keren naar Anderlecht. Hij weet dat hij te jong is gekomen en dat hij het zotteke heeft uitgehangen, maar hij is nu een andere speler. Ik ben bij Lestienne en zijn fami­lie geweest. Daar voelde ik met­een dat hij zijn hart verpand had aan Club Brugge. Hoe kan je die dan overhalen? Alleen door waanzinnige bedragen te ge­ven.»

Devroe: «Als Lestienne voor het geld had gekozen, zat hij niet in Brugge. En ook niet in Ander­lecht, maar in Lille of PSV. Toen hij bij ons zijn medische tests aan het doen was, heeft Luc Nilis nog gebeld in opdracht van PSV: het kwam er op neer dat Lestienne zelfde cheque mocht invullen.»

Herman, je noemt Lestienne de enige interessante speler. Was Daan Van Gijseghem ook niet in beeld?

Van Holsbeeck: «Daar is over na­gedacht. Maar wij zitten met een jonge speler, Birger Longueville, en die ontwikkelt zich heel posi­tief. Tijdens de stage in La Manga heb ik hem twintig minuten be­zig gezien tegen Twente: zó (balt de vuist). Een supermentaliteit. Die gast is 18 jaar en ik weet niet of die ooit titularis wordt, maar als derde stopper in de kern, moet dat altijd kunnen. Dan moet je geen ander halen die hem bar­reert.»

Devroe: «Wij hebben nu Van der Heyden gehaald om de periode te overbruggen tot onze jeugd klaar is. Bovendien is hij een goed voor­beeld van wat Herman daarnet aanhaalde: iemand die met zijn hart terugkomt naar Club. Dat is belangrijk, want eigenlijk is het tegen mijn principe om spelers terug te halen. Ik ben daar geen voorstander van.»

Van Holsbeeck: «Ik ook niet.»

Devroe: «Er zijn genoeg negatieve voorbeelden uit het verleden, zo­wel in Anderlecht als in Brugge. Ik denk dat Par Zetterberg het enige succesverhaal is.»

Het valt ons op hoe gelijkend jullie visie op voetbal is.

Van Holsbeeck: (draait zich naar Devroe) «Luc, wij zijn concurren­ten, maar ik mag het zeggen, hé? Hoe wij voetbal zien: dat is het­zelfde. Als Luc drie jaar geleden niet naar Brugge was gegaan, dan werkten wij nu samen. We ston­den op het punt een akkoord te tekenen. Ik zag wat hij bij Roese-lare deed en hoorde hoe hij over spelers sprak... Als er tien dossiers op tafel liggen, ben ik zeker dat we over negen dezelfde filosofie hebben. Wij denken hetzelfde.»

Bedoel je dat Luc Devroe eigen­lijk voor Anderlecht had kunnen werken?

Devroe: (lacht) «Dat is een geme­ne vraag.»

Van Holsbeeck: «Ik had een sa­menwerkingsakkoord in gedach­ten. Op de manier zoals we nu spelers als Kanu, Reynaldo of Mukendi bij Cercle stallen, maar dan bij Roeselare. Omdat we ons konden vinden in het beleid van Devroe.»

Devroe: «Maar twee weken later was ik weg.»

Luc, jij zegt dat Club zijn kern moest vernieuwen toen jij werd benoemd. Heb je je toen laten inspireren door Anderlecht?

Devroe: «Ik wil eerst vertellen dat een aantal jongens die toen de dienst uitmaakten grootse din­gen hebben verwezenlijkt. Ik denk aan Clement, Maertens, Englebert en Vermant: die zijn kampioen geworden, hebben de beker gewonnen en hebben zich geplaatst voor de Champions League. Meermaals zelfs. Dat moet de huidige groep nog waar­maken. Maar het was duidelijk dat de kaders dienden vernieuwd te worden, ja. Dat is een moeilijke oefening. De vorige keer dat het geprobeerd is om meer techni­sche spelers te halen, bleek geen onverdeeld succes. De mayonai­se pakte niet. Dat kan ons ook overkomen. Stel dat wij straks drie keer op rij verliezen: dan gaan ze misschien weer roepen om lopers en atletiekers. Resulta­ten blijven belangrijk.»

Van Holsbeeck: «Als je manager wordt binnen een club, erf je het beleid van iemand anders, maar je moet je eigen stempel drukken. Daarvoor moet je niet alleen de kennis hebben, maar ook wat ge­luk. Ik herinner mij dat ik Frutos haalde. Op GBA, op een ijspiste, raakte die geen leer. Het publiek riep al. De volgende match, thuis tegen Genk, kwam de politie mij zeggen: 'We gaan uw auto ergens anders zetten, we gaan ook twee man bij uw vrouw zetten'. Ik weet nog dat ik toen dacht: 'Mijn carrière begint nog maar en ik zit er misschien al door'. Maar we winnen met 4-1, Frutos scoort twee keer en maakt ons dat jaar kam­pioen. Maar verliezen we die match tegen Genk... Ik weet dat de familie Vanden Stock achter mij stond, maar ik zou het toch even niet gemakkelijk hebben gehad.»

Tot slot, is het toeval dat het profiel van jullie trainer ook ver­gelijkbaar is?

Devroe: «Ik denk dat onze trainer een verademing is. Ik heb Adrie Koster nog niet één keer een kaart zien vragen of een scheidsrechter zien lastig vallen of een opmer­king horen maken over een te­genstander. In Genk stond Frank Vercauteren vanalles te doen aan de zijlijn. Koster zie je nooit. Daar ben ik blij om: Koster heeft een voorbeeldrol. Ik denk dat het heel belangrijk is dat een trainer niet ophitst. Wij gaan vanavond niet met getrokken messen naar Brus­sel. Die mens zit zo niet in me­kaar.»

Van Holsbeeck: «Ariël Jacobs is ook zo iemand. Behalve in de twee weken na de tackle op Wasilewski, toen hij zichzelf niet meer was en een knop moest omdraai­en, is hij in die drie jaar nooit uit zijn rol gevallen.»

Kozen jullie bewust voor een gentleman?

Devroe: «Ik denk dat Jacky Mathijssen bij ons aan zelfdestructie heeft gedaan. Hij heeft nooit ge­handeld uit eigenbelang, dat heb ik al dikwijls gezegd. En ik blijf er­bij dat hij geen slechte trainer is, maar wij hadden het nodig om ons imago opnieuw wat op te poetsen.»

Van Holsbeeck: «Ik denk dat het belangrijk is dat een trainer zich­zelf blijft. Bij Adrie Koster zie je dat. Ariël Jacobs is in de fond ook nog steeds dezelfde als vijftien jaar geleden, alleen heeft hij meer ervaring. Over onze trainers mo­gen wij niet klagen.»

Bron: 
Het Laatste Nieuws