Simaeys vindt zichzelf niét de stoplap van Club Brugge

Sinds de komst van Adrie Koster zijn er bij Club Brugge geen zekerheden meer. Jeroen Simaeys speelde al op drie verschillende posities en je hoort hem als occasionele rechts achter niet eens morren. «Niemand zit graag op de bank. Wie er zit, valt wel scherper in dan ooit.»

Simaeys was een kleine twee maanden out met een spierscheur. Of hij sinds zijn terugkeer niet het gevoel heeft als 'stoplap' gebruikt te worden? «Zeker niet. Focus je niet op die ene helft tegen Charleroi toen ik als rechtsachter speelde. Ik sta er zelfs niet meer bij stil. De trainer vroeg het me en ik deed het voor het algemeen ploegbelang. Mijn favoriete stek is het niet en zal het ook niet wor den. Ik heb dat ook tegen Koster gezegd en die had daar begrip voor.»

Centraal achteraan lijkt hij hoe dan ook geen vaste waarde meer. «Dat was ik afgelopen seizoen wel, maar toen waren er veel min der bruikbare alternatieven. In alle linies kwam er kwaliteit bij. Wie in vorm is, moet op zijn beste positie spelen. Ik werd uiteinde lijk naar Club Brugge gehaald als verdedigende middenvelder. Daar begon ik in augustus ook het seizoen, totdat een spierscheur me naar de kant haalde.»

Tijdens zijn afwezigheid bracht Club heel zwierig voetbal. Si maeys werd niet gemist... «Dat is net het positieve. Als er dit sei zoen spelers om de een of andere reden niet bijlopen, zie je geen kwaliteitsverschil. Wie in de plaats komt, doet het even goed of misschien nog beter. Het is dit seizoen onze grote troef. Het is geen toeval meer dat in wedstrijden waarin we aanvankelijk moeilijk de tegenstander opzij kunnen zetten, de bankzitters al herhaaldelijk het verschil maak ten. Wie niet aan de match begint, valt scherper in dan ooit tevoren. Van onze 28 officiële wedstrijden verloren we er slechts vier. Het duidt op veel inzet, concentratie en kwaliteit.»

Tegen een numerieke minder heid heeft Club het wel vaak moeilijk. Vreemd. «Telkens we in wedstrijden met uitsluitingen van de tegenstander geconfron teerd worden, is ons spel om zeep. Het is grotendeels onze fout. We laten ons te gemakkelijk opjutten door de tegenstander, die bij het trekken van de rode kaart allerlei opstootjes creëert. Laat hen maar naar de scheidsrechter lopen. We hebben daar niets meer te zoe ken. Het brengt ons toch enkel maar uit concentratie. Zowel op Charleroi, Mechelen en zondag in Lokeren lieten we er ons aan vangen.»

Bron: 
Het Laatste Nieuws